PROZA EN POËZIE

donderdag 28 juli 2016

.
.
.
.

TEVREDENHEID  EN  ZO
.
Ik kreeg een berichtje van mijn
kinderen.     Linda 47 en Richard 50.

Dat ze zo blij waren dat ik ze op de wereld had gezet, en altijd zo goed                voor ze had gezorgd.     
Dat ze het zo fijn vonden dat ik ze nooit in de steek had gelaten, ondanks de         domme dingen die ze wel eens hadden gedaan.      
Dat ik er altijd  voor ze was geweest, zonder vooroordelen.     
Dat ik ze nooit een schuldgevoel had gegeven.     
Dat ik er voor gezorgd had dat ze gelukkig konden zijn.

Mooi hè…
En het was niet eens vaderdag of zo.


zondag 26 juni 2016


.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

DE  HOUTVAART

Foto:  Vrienden van de Houtvaart.


Het Haarlemse openluchtbad De Houtvaart was die warme zomerdag in 1957 overvol. Mijn familie had een plekje gevonden aan de rand van het 50-meter bad. Onze moeder, Paula, had een groot kleed uitgespreid op het gras, en zette bekers limonade en wat boterhammen klaar voor de hele bubs. Ze had een korte broek aan, en een witte bloes met franjes, waarvan ze wat knoopjes had losgemaakt om de zon toe te laten. Vader Bas was er na veel gehannes in geslaagd om twee houten ligstoelen op te zetten, en zat tevreden ogend onderuit gezakt in z’n hemd en korte broek een krant te lezen, terwijl hij een pijp rookte. 
Ik was elf, en nét niet de jongste. Meestal speelde ik met mijn broertje Florian, die net acht was geworden en nog niet zo goed kon zwemmen, in het ondiepe bad.  Van mijn drie zussen was Cecile, die bijna achttien was, een echte waterrat. Ze trok baantjes met de moderne borstcrawl-slag, en sprong keer op keer van de hoge.
Aja, die met haar benen over de rand van het bad bungelde en haar teennagels had gelakt, want ze was al vijftien, riep naar mijn oudste zus Klara, bijna volwassen, dat ze ook van de hoge moest, maar die had daar geen zin in. Ze las liever in haar boek, en wuifde het voorstel weg met haar goede hand.
Toen Florian en ik even moe waren van het gespetter gingen we met onze natte zwemkleren op een handdoek zitten en kregen van moeder een boterham met pindakaas en een kartonnen beker met limonade. “Hé, Marlou krijgt er twee,” gilde Florian, en graaide naar mijn boterhammen. “Zij is in de groei,” suste moeder, en ze aaide over mijn haar.
Het was erg warm die dag. We moesten oppassen dat we niet te lang in de zon lagen, en kregen tegen zonnebrand wat creme opgesmeerd.   Moeder was altijd opgewekt, en ze lachte veel; zij was de zon in ons gezin.

We zaten met z’n allen bij elkaar wat te eten toen er een man kwam aanlopen met een opgevouwen ligstoel onder zijn arm.   Het was een grote gespierde vent, wel bijna twee meter, met een enorme gebruinde borstkas, lange gebruinde benen en een brede grijns. Hij begon de ligstoel uit te vouwen en probeerde die neer te zetten. Dit lukte hem steeds maar niet, en vader vroeg aan hem: “Kan ik u helpen.”
“Well, I could use some assistance, because I can not see how this works.” We begrepen dat de man Engels sprak. Vader kende die taal ook wel een beetje, en zei: “I could try to help you.”  Na enige tijd was het vader gelukt om de ligstoel goed neer te zetten, en kon de man gaan zitten.   Vader gaf hem een hand en stelde zich voor.   “And what is your name,” vroeg vader. “Johnny Weissmuller.” antwoordde de vreemdeling, “I was in this Swimmingpool in 1928, training my breastcrawl for the Olympic Games, and now that I was in Haarlem on holiday, I thought it would be a good idea to return to De Houtvaart for a while.”    Vader legde ons uit wat de man had gezegd, en we waren stomverbaasd.

Cecile had zich al die tijd vergaapt aan de atletisch gebouwde man, en ik zag haar in d’r filmsterren-schoolagenda kijken. Ineens stond ze op, liep naar hem toe, en zei in haar beste school-engels: “I think that you are the famous moviestar Tarzan…!”
“Yes, I played Tarzan in the movies, you are right,” beaamde de vreemdeling breed lachend, en gaf Cecile een hand.  Florian stootte me aan, en fluisterde: “Tarzan?, de èchte Tarzan?” Moeder zat ongelovig te kijken naar de beroemde filmster. Ze legde een arm om mijn schouder, wees naar de geweldig gespierde armen van de man, en zei: “Daar hangt ie mee aan die lianen, tussen de bomen, als ie zijn beroemde Tarzan-roep doet.” Klara kwam nu wat dichterbij zitten, en begon samen met vader en Cecile met de Amerikaan te praten.  Die had zichtbaar plezier in de conversatie, en wilde van alles van ons weten.
Vooral Cecile was aan het woord, en ze vertelde Johnny, terwijl ze bewonderend naar zijn gespierde lijf keek en af en toe bloosde, dat wij de volgende week met z’n allen in de zomer-vakantie naar ons eigen huisje in Trahütten, in Oostenrijk zouden gaan.
“Now that is a coincidence,” zei de Amerikaan lachend, “ik was juist van plan om bij mijn jongere broer Peter in Graz op bezoek te gaan.” Verrast keken we elkaar aan, en nadat vader even met moeder had overlegd nodigde hij Johnny meteen uit om een paar dagen bij ons te komen logeren in huisje Eduard, om daar een kop Frittatensuppe en Leberknödel en de vlierbloesem-omelet van moeder te proeven, en wat te helpen met houthakken. Johnny zei dat hij dat very nice and a great opportunity zou vinden, schreef het adres op en sprak met vader af dat hij op de eerste dag van onze vakantie meteen op bezoek zou komen.
De middag in De Houtvaart vlóóg om. Johnny Weissmuller zwom diverse malen met zijn flitsende borstcrawl een wedstrijdje met Cecile, en hij liet haar voor de grap een keer winnen; zogenaamd kramp. Ook zagen we hem een paar keer een pracht snoekduik maken van de hoge. Niemand van de andere mensen in het bad had de Amerikaan nog herkend; het was ons geheim…  Aan het einde van de middag, toen we naar huis zouden gaan, namen we met z’n allen afscheid van onze nieuwe vriend.   Florian lachte wat bedeesd, keek naar zijn eigen dunne armen, en voelde toen even aan de enorme spierballen van de filmster. Ik gaf hem een hand, glimlachte wat naar hem, en moest denken aan die film-vrouw, Jane, die zo goed met de oerwoud-dieren bevriend was, en die telkens door Tarzan werd gered…

Foto: Vrienden van de Houtvaart.


De zomervakantie was begonnen, en we reden met onze oude Citroën Traction Avant, waarvan de voordeuren nog naar achteren openden, in drie dagen vanaf Haarlem naar ons huisje in Trahütten. Onderweg sliepen we dan in jeugdherbergen en hotelletjes. Vooral in Oostenrijk duurde die reis altijd erg lang. Vaak reden er boerenwagens op de weg, zodat je haast niet kon opschieten.   Het laatste stuk van de weg naar Huisje Eduard, dat op bijna 1000 meter hoogte lag, was slecht begaanbaar, en deze keer helemaal, omdat het had geregend en de autowielen, op de verharde weg schuin omhoog, af en toe doorslipten op steenslag. Wij kinderen moesten dan uitstappen en de Citroën vooruit duwen totdat de banden weer grip kregen.  Opeens slipte onze auto van de weg af en bleef met een voorwiel in de prut steken. Het wiel kreeg geen grip meer en de wagen hing helemaal schuin. We probeerden met z’n allen te duwen, maar er kwam geen beweging meer in.
Er stopte een taxi achter ons. De chauffeur stapte uit, en ook de passagier. Tot onze verrassing was dat de Amerikaan, die naar ons huisje op weg was. Hij begroette ons hartelijk, met een brede grijns, en gaf ons allemaal een hand. “Can I help,?” vroeg hij, en zonder antwoord af te wachten tilde hij de zware auto aan de voorkant op en sleepte hem terug op de weg.
We stonden dit met open mond te bekijken, en begonnen spontaan te klappen. De Citroën werd door vader weer gestart en we reden voorzichtig verder, gevolgd door de taxi met Johnny Weissmuller er in én Cecile en Klara die naast hem mochten zitten, totdat we eindelijk bij het huisje aankwamen.

De boodschappen en etenswaren die we van huis hadden meegenomen werden uitgepakt, en het werd een gezellige boel. Het was prachtig weer en we konden in de namiddagzon buiten voor het huisje zitten.   Johnny, nu gekleed in een moderne spijkerbroek en een woudlopers-overhemd, hielp met hout hakken. Samen met vader zaagde hij met een trekzaag de stammetjes kleiner, sloeg dan met één geweldige bijl-klap de houtblokken doormidden en droeg vervolgens hele stapels hout naar binnen, alwaar moeder al volop bezig was bij de houtkachel met het klaarmaken van allerlei lekkere hapjes.   Johnny gaf haar een houtje waarmee ze de ovendeur die telkens open viel, kon dicht klemmen.
Cecile, Klara en Aja zaten op een hekje te kijken naar de stoere Amerikaan. Ik mocht er niet bij blijven, want ik moest van vader onze Florian bij de koeien van Schirrmeister vandaan gaan halen.
Na het avondeten gingen wij kinderen samen met Johnny bosbessen plukken. Hij vertelde dat hij in de tijd dat hij Tarzan speelde veel geleerd had over het leven van de dieren in het oerwoud. Hij schopte zijn schoenen uit en liet ons zien hoe je als een chimpansee met handen en voeten in een boom klimt. M’n zussen keken bewonderend toe. Florian riep: “Dat kan ik ook!” Ik keek naar de gespierde armen van Tarzan, en dacht weer aan Jane.

Terug bij het huisje begon het te schemeren en we gingen binnen zitten. Moeder pakte het emmertje met bosbessen aan om er mee te gaan toveren. We deden spelletjes, Monopoly en Mens Erger Je Niet, en Tarzan leerde ons om dierengeluiden na te doen. Cecile en Klara begonnen Engelse liedjes te zingen. Daar was ik ook goed in, want ik kende veel teksten bijna uit m’n hoofd. We zongen: Hello Marilou en Bye Bye Love, Buona Sera, True love, Only you, en Heimweh. Vader glimlachte voortdurend, en bromde wat onwennig mee. Moeder vond het allemaal prachtig, en ze tikte met haar wijsvinger op tafel de maat. De Amerikaan zong ook mee. Hij had een mooie mannen-stem, een brede lach en hij gooide steeds met een zwiep een lange haarlok naar achteren. Aja zat intussen een portret van Johnny te tekenen, en ze deed moeite om te voorkomen dat Florian met zijn kleurpotloden op haar schetsboek zou krassen.
Om elf uur zei vader: “Moeder, we gaan slapen, want de gasten worden moe…”, en hij knipoogde naar haar.  De slaapplaatsen werden verdeeld. Klara, Cecile, Aja en ik in de benedenkamer. Moeder en vader in de huiskamer, en Florian met Johnny in de zolderkamer. Ik zag Tarzan met twee drie sprongen de ladder opvliegen, waarna hij Florian de hand reikte en hem naar boven trok.
Beneden konden we haast niet slapen door alles wat er was gebeurd, en we kwebbelden nog een tijdje. Ik lag naast Klara, en Cecile lag met Aja in het andere bed. Midden in de nacht werd ik wakker van een geluid, maar Klara suste me, ze wist dat dat het nachtdier was, de zevenslaper, die vanuit de eik op het balkon was gesprongen, en daar rondscharrelde op zoek naar etensresten.
Ik ontwaakte de volgende ochtend nogal vroeg en keek door het geopende raam naar buiten. De zon scheen al volop en de koeien van Schirrmeister liepen in de wei te grazen.  In de stilte hoorde ik ineens het raam van de zolderkamer piepend open gaan, en kort daarna een ongelooflijk luide kreet: de Tarzan-kreet!   Mijn zussen en ik stormden in ons nachtgoed naar buiten, en we zagen door het geopende zolderraam het hoofd van Tarzan. Hij hield zijn handen als een trechter voor zijn mond, en daar was nóg eens die bloedstollende kreet. De koeien in de wei keken verbaasd op, tientallen vogels gingen kwetterend en dicht naast elkaar op boomtakken zitten. Uit het bos sprongen wel twintig hertjes tevoorschijn die rondjes om elkaar heen begonnen te draaien.
Daar klonk de kreet voor de derde keer. De koeien begonnen in de rondte te springen, met luid klinkende koeiebellen, hun achterpoten hoog in de lucht. Moeder en vader stonden in hun nachtkleding, met Florian die van schrik de zoldertrap was afgespurt tussen hen in, op het balkon en vergaapten zich aan het schouwspel.

Bij het ontbijt werd er levendig nagepraat over de actie van Johnny. We waren stomverbaasd geweest zoals we de dieren hadden zien reageren op de oerwoudkreet van onze gast. Breed lachend zei hij dat hij het nu eenmaal niet kon laten, als hij in such a natural surrounding was.
Later die ochtend moest de Amerikaan onverwacht als Tarzan in actie komen, toen ik in de grote berk was geklommen, en de zijtak waarop ik zat dreigde af te breken. Ik durfde me niet meer te bewegen, zag de tak langzaam steeds verder afscheuren en riep om hulp. Cecile en Aja stonden angstig toe te kijken.  Iedereen kwam aangerend. 
Ook Johnny. Zonder dralen zwiepte hij aan een, toevallig daar hangend, touw vanuit de kersenboom naar me toe, greep me om mijn middel juist toen de tak het begaf, en veilig landde ik in zijn sterke armen op het kampeerveldje. Vervolgens zei hij met zijn brede grijns: “Me Tarzan, you Jane…” Ik voelde me in de zevende hemel, en ik zag Cecile een tikkeltje jaloers naar me kijken…
We vonden het erg jammer dat Johnny ons die middag ging verlaten. Vader pakte zijn Agfa Clack, en liet buurman Schirrmeister een mooie groepsfoto maken.

Die foto, zwart-wit, staat nog altijd bij mij op de piano. In het midden reus Johnny Weissmuller, links en rechts naast hem moeder en vader, en wij kinderen daaromheen.
Op de achtergrond Haus Eduard.  
We lachen allemaal breed. 


HK. 
.
.
.
.
.



vrijdag 10 juli 2015


.
.
.
.
.



TWISKE



Kijk, een regenboog, zei ze
ze stond rechtop in de roeiboot
haar zomerjurk waaide hoog op.

Je trok krachtig aan de riemen
de boot vloog vooruit
zijn we er bijna, vroeg ze.

Je stuurde de boot in het hoge riet
en wierp het anker uit
ja, hier is het, zei je.


HK.



woensdag 24 december 2014

.


DE  UITWEG


Die avond begon het al vroeg te sneeuwen. Vroeger zou het me blij gemaakt hebben. Kerstavond. De dennegeur, vrolijke gezichten, warmte, hartelijkheid, maar daar was nu geen enkele reden voor. Het deed me niets meer. Mijn besluit stond vast. Het hoefde voor mij niet meer. De scheiding, de torenhoge schulden, de deurwaarders, het was me allemaal teveel geworden.   Daarom had ik voor deze uitweg gekozen. Ik had alles goed voorbereid. Op tafel lag een lijst met aanwijzingen voor de verdeling van mijn schamele bezittingen. Een laatste brief, naar de huisarts en naar mijn zus, op de bus gedaan. De verwarming uitgeschakeld. De voordeur op een kier gezet. Een stevig touw, met aan het einde een schuiflus, vastgemaakt aan een spijl van de trap naar boven, en daaronder een barkruk om op te gaan staan. Daarna de stekkers van de telefoonbeantwoorder en de telefoon uit het stopkontakt getrokken.   Zo kon er niets meer mis gaan.

Elf uur. Het was zo ver. Na een laatste blik naar buiten, waar al een dikke laag sneeuw lag, klom ik op de hoge kruk. Ik deed de strop om mijn hals, en trok hem strak. Juist wilde ik de barkruk onder mijn voeten vandaan schoppen, toen er gerinkel klonk. De telefoon. Maar dat kón toch niet. Er was toch helemaal geen verbinding meer?  Na vijf rinkels klikte de telefoonbeantwoorder aan, en hoorde ik mijn eigen boodschap. Verder niets. En dan een einde-klik. 

Hoe kón dit? Zonder aansluiting? Nou ja, ik wilde er niet bij stil staan, ik hóéfde dit niet te begrijpen. Weer trok ik de lus strak om mijn hals. Ik wiebelde flink zodat de barkruk om zou vallen. Hé, de telefoon ging wéér over. Nogmaals hoorde ik na vijf rinkels mijn eigen boodschap. En dan ineens een stem: “Jongen, doe het níét.!” De stem van mijn moeder, die al 13 jaar dood was! “Dóé het niet, jongen,” ging de stem voort, “het is hier koud en eenzaam, er is niets om te lachen hier; blíjf waar je bent.” Daarna was er weer die einde-klik.

Ik begon te trillen over m’n hele lijf. Ik trok de lus weg van mijn hoofd, sprong van de barkruk af en greep de telefoon. Het toestel zat écht nergens meer aan verbonden. Verdwaasd zakte ik in een leunstoel. Ik begon zacht te schreien. Verdorie, mijn oude moeder, een stem uit het graf…, dat was toch ónmogelijk!

“Hallo,” hoorde ik vanuit de gang, “is daar iemand, de deur staat open.”  De buurvrouw van verderop de galerij kwam binnen. Ze keek wat rond, haar blik gleed langs het touw en langs de barkruk. Ze keek me aan, trok een stoel naar zich toe, en kwam naast me zitten. Wel een kwartier zaten we daar te zwijgen, tot ze zei: “Je heet toch Jelle, niet?” En zonder antwoord af te wachten: “Ik ben Agnes. Zal ik eens een lekkere kippesoep voor je gaan maken, en zullen we wat muziek gaan luisteren, of wat gaan wandelen in de sneeuw, een beetje kletsen en lachen?"

Ik keek haar aan. Wat een leuk en lief mens was ze, besefte ik ineens. We waren elkander vaak tegengekomen in de lift, en hadden dan steeds beleefd gegroet. Meer niet. En nu, ineens, zat ze naast me, en wilde kippesoep voor me maken. “Ja,” mompelde ik beschroomd, “ik heet Jelle, dat klopt, en die kippesoep, dat is warempel een goed idee.” Ze trok me overeind: “kom mee,” zei ze, “naar mijn huis, daar is het warmer.”


HK.

.


woensdag 26 juni 2013

 .



.
.
.

GRAS  MAAIEN



“Maai jij even het gras,”   vraagt ze me.
Ik doe niets liever, dus begin ik blijmoedig, trekkend en duwend met haar ouderwetse handmaaier, aan die postzegel van drie bij vier meter.  
Vanaf de buitenkant cirkel ik, wretsj, wratsj, naar het centrum.   Fluitje van een cent.   Bijna klaar.










Hé, wat is dat, daar in het midden staat een madeliefje.   Ééntje maar, meer niet…


“Wat doe je,” vraagt ze. 
Ik kijk op.   
Mijn schaartje hapt lucht.   
“Ik knip even wat gras weg, hier.”   Schaapachtig kijk ik haar aan. 

Dan ziet ze het bloempje, strijkt door mijn haar, lacht naar me en zegt: “Je bent me d'r een...   Kom je koffie drinken?”


HK.



zaterdag 1 juni 2013

.





GEVEL  GEDICHT



Poëzie is meestal zacht, vol van gevoel en mededogen.
Soms is het wat scherper, rauwer; soms schuurt het…

Tegenover het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, op een woongebouw aan het Kattenburgerplein, zie je de laatste strofe van een gedicht van mij, als gevelgedicht uitgekozen door de Stadsdeelraad.




                                                               
                                                               


Het komplete gedicht vind je in de uitgave: "Eilander Gedichten", een initiatief van Wil Merkies.



Het oproer ten einde / voedsel voldoende / weinig te wensen / maar onrust blijft.
Geld op de bank / auto, vakantie / leven en lachen / vrienden genoeg.
Blond werd kleur / buren ontwijken / kijken uit ramen / sluiten de rijen.

("Het oproer" gaat over het aardappel-oproer in deze buurt, 100 jaar geleden.)



HK.


maandag 11 februari 2013

.




O, DE  LENTE 
  

Ik verlang zo naar de lente,
die de winter zal verdrijven.
Merels in de bosjes, koetjes in de weide,
huppelende lammetjes en mekkerende geitjes.
Blaadjes aan de bomen, eendjes in de vijver,
fladderende vlindertjes, de duisternis voorbij,
o, wat maakt me dat toch blij,
en dat allemaal voor mij...

Ik verlang zo naar een geliefde,
die de koude zal verdrijven.
Lopen door de velden, fietsen op de heide,
hand in hand de wereld in, de somberheid vermijden.
Zuchten van verliefdheid, nooit meer hoeven lijden,
kussen op een bruggetje, de regenboog voorbij,
o, wat maakt me dat toch blij,
en dat allemaal voor mij...


  Marlou Witzel.
Henry Kloostra.


zaterdag 19 januari 2013



.

ALPE  D’HUEZ


Eindelijk gaat het gebeuren! De Alpe d’Huez. Die ‘Nederlandse berg’ van de Tour de France, ga ik vandaag beklimmen! Ik ben 71 en helemaal geen wielrenner. Ik kom, in het kleinste verzet, met moeite de Keuterberg in Limburg op.  Maar het is gewoon de uitdaging die ik mezelf opleg. Iets bijzonders doen.    

Het is een mooie dag, volop zon al, half mei, acht uur in de morgen. Er staat geen wind. Auto geparkeerd. Fiets er uit. Het is een gewone stadsfiets met wat versnellingen, waaronder een heel lage: één keer rondtrappen: 167 centimeter vooruit. Korte broek aan.  T-shirtje. Geen merken of teksten.  Gewoon simpel fietsen. Water in de flessen. Bananen mee. Karren maar.

De helling is gemiddeld 8½ procent, niet mis dus. Ik schakel terug naar de laagste versnelling en dan valt het eigenlijk best mee. Ik kom weliswaar haast niet vooruit, maar ik kan het zo wel een paar uur volhouden, lijkt me. Ik ben niet de enige op de berg. Regelmatig word ik ingehaald door de betere coureurs. Een meisje van een jaar of elf, in flitsende wielerkleding op een echte racefiets, passeert me alsof ik stil sta. Ze kijkt me even aan, en lacht. Licht spottend? Ik maak mezelf wijs dat ik haar al gauw weer voorbij zal gaan.

Er zitten 21 haarspeldbochten in deze weg en dat 13½ kilometer lang. Een rechterbocht moet ik heel ruim, over de linkerheft van de weg, nemen anders kom ik stil te staan. Ik maak 60 omwentelingen per minuut. Na ruim 3 kwartier ben ik op de helft.

Heel vroeger, 12 was ik, deden we óók aan wielrennen. Met m’n broer en wat vriendjes. We hadden fietsen met een mooie koplamp, een extra schijnwerper, twee dynamo’s, zijspiegels, en trommelremmen. Geen versnellingen. Alleen maar een heel groot verzet. 44 Tanden vóór, en 12 tandjes achter… We kwamen haast niet op gang. Na vijfhonderd meter was ik dan volkomen buiten adem. Dat komt allemaal omdat ik in een heel strenge winter, januari 1942, ben geboren. Dat werkt tóch door… Nooit heb ik zo’n wedstrijdje gewonnen. Wel één keer tweede.

De Alpe d’Huez geeft zich nog niet gewonnen. Omdat ik steeds hoger kom is de lucht dunner, minder zuurstof. Steeds vaker word ik nu gepasseerd, maar opgeven, daar denk ik nog niet aan. Vaak zie ik renners, die mij inhalen en voorbijvliegen, smalend lachen. Opa’s laatste stunt… Had ik niet veel beter op de camping kunnen blijven? Lekker met mijn verloofde een bakkie drinken en een boekje lezen in een luie stoel?

Bijna twee uren ben ik nu onderweg. De laatste kilometer. Een 11 % steile helling is het hier. Nog even doorzetten. Hé, wat is dat? Zie ik het goed? Naast me fietst ineens Fausto Coppi. FAUSTO  COPPI.! Il grande Campione Italiano.! Hij houdt in, past zijn tempo wat aan en vraagt me of het goed gaat. Mijn vroegere cursus Italiaans komt nu goed van pas. Hij zegt dat hij het prachtig vindt dat er nu eens iemand de berg op fietst die géén haast heeft, níets wil presteren, maar slechts boven wil komen. Hij stelt voor om op de top samen een biertje te nemen, en wat te praten. Half buiten adem neem ik zijn aanbod aan. Hij fietst alvast vooruit.

 
Na een moeilijk kwartier ben ik boven. Van 680 naar 1850 meter hoogte. 2 Uren, 13 minuten en 11 sekonden. Fausto Coppi deed het eerder in 45 minuten en 22 sekonden.

Daar zit hij al op een terrasje op me te wachten. Hij schudt hartelijk mijn hand. Twee grote koele gele rakkers staan op tafel. Uitgeput ga ik zitten. We heffen het glas. Al gauw zitten we lekker te kletsen. Overal zie ik jaloerse blikken. Een groepje Nederlanders, waaronder Mart Smeets en Tim Krabbé wil aanschuiven, maar Fausto wijst ze af. “Nee, nu even niet.”

Ruim een half uur babbelen we door. De kampioen nodigt me uit om een week te komen logeren in zijn villa in Castellania. We trekken onze agenda’s. Ik maak nog een paar foto’s van ons samen en neem hartelijk afscheid van Fausto. Daar fietst hij al weer naar beneden. Wát een kuiten. Had ik maar één zo’n been…

Na nog een kwartiertje rust sta ik op, check mijn remblokjes en ga terug omlaag. Heerlijk, bijna vlíegen. In de bochten komt de rook van mijn remmen, maar ze houden het, en na 14 minuten sta ik weer naast mijn auto.

Volgend jaar misschien Mont Ventoux?

HK


.

donderdag 12 januari 2012

.




BIJ DE MARINE


Een kazerne midden in de stad, dat was het Marine Etablissement Amsterdam, begin jaren zestig. Het terrein was toen groter dan nu; de aanleg van de IJ-tunnel heeft er vanaf 1963 heel wat van opgeslokt. 

Herfst 1961 kwam ik daar terecht om mijn dienstplicht te vervullen, en gelijktijdig het vak radio-radarmonteur te leren. Liever was ik thuis gebleven, maar helaas had men mij nodig om het land te verdedigen. Dat bleek overigens al meteen een misvatting te zijn, want reeds tijdens de schietopleiding met het schietgeweer Garand 7.62, was ik de enige die er in was geslaagd om vanaf 20 meter een vel papier van één meter in het vierkant, met een pop erop getekend, met GEEN van de acht kogels te raken… 

Op het Marine Etablissement bevond zich tussen de gebouwen van de radio-radarschool en de slaapzalen een groot exercitieterrein. Ongeveer 200 bij 150 meter. We moesten daar, om Volk en Vaderland te kunnen verdedigen, elke week een uur exerceren; marcheren in een peloton: 10 rijen van drie man, ook wel een bak genoemd. Het was nog een hele kunst om de exercitie-kommando’s die de sergeant ons toeriep goed en precies gelijk uit te voeren. ‘Links uit de flank, márs’; ‘rechts uit de flank, hált’; ‘rechtsomkéért’; ‘presenteer gewéér’, enzovoort. En dat alles met bepakking van bijna tien kilo en een geweer; maar we waren jong en sterk…


 Op een middag in december, moesten we weer eens marcheren. Het sneeuwde een beetje en het was aardig koud. De sergeant die ons kommandeerde was een luie bullebak die aan de zijkant van het enorme terrein onder een afdakje bleef schuilen terwijl hij ons de bevelen toeschreeuwde. Dat zette al meteen kwaad bloed bij ons, en mokkend voerden we zijn opdrachten uit. 

We waren zo al een half uur bezig toen we na wéér een kommando, nu in de breedte lopend, met drie rijen van 10 man naast elkaar, bij de sergeant vandaan marcheerden, richting de slaapgebouwen. Het sneeuwde intussen al wat harder, en de afstand tot de bevelvoerder werd steeds groter. Ik weet niet meer van wie het idee kwam, maar ineens zeiden we tegen elkaar dat we zouden gaan doen alsof we, vanwege de afstand, de bevelen niet meer konden horen, en gewoon zouden doormarcheren, richting gebouwen. En zo geschiedde. 

Terwijl we van grote afstand allerlei geschreeuwde opdrachten op ons af hoorden komen, bleven we met z’n allen doorlopen totdat we, uiteindelijk tegen de muur van de slaapzaal tot stilstand gekomen, links, rechts, links, rechts, dicht tegen elkaar aan doorstampten. Langslopende matrozen en ander personeel stonden intussen op een afstand lachend toe te kijken. 

De luie sergeant kwam nu vlug naar ons toegerend. Na een woedend ‘rechtsomkeert hált’ ging hij met een rood hoofd voor de troep staan en vroeg getergd wie dit had bedacht. Maar we hadden al afgesproken dat niemand iets zou zeggen, dus dat deden we dan ook niet. 

Uiteindelijk kostte het ons allen een weekend niet naar huis kunnen, en een week strafdienst: met volle bepakking een half uur in de looppas het terrein rondrennen. 

Maar we hádden gelachen. Geláchen dat we hebben…. Nu nóg steeds. 



HK.

woensdag 14 december 2011

.





KERSTAVOND 1944


Het was 24 december 1944. Kerstavond. Ons gezin woonde in het oude centrum van Roermond, in Limburg. Mijn moeder, een Spaanse schone uit Andalusië. Mijn vader, een Groningse dichter en schrijver, die behalve vloeiend Spaans, nóg vier talen sprak. En wij, zes kinderen, in de leeftijd van acht jaren tot drie maanden.

Buiten was het steenkoud, er lag sneeuw, maar binnen, rond de gloeiendhete kachel, was het behaaglijk. De hele dag waren we al zenuwachtig, in afwachting van de avond, als het heel leuk zou gaan worden, en er door een kerstman, dat had vader immers beloofd, kadootjes zouden worden gebracht. Onder leiding van mijn oudste broer, Manuel, oefenden we alvast kerstliedjes, terwijl moeder de kleine Milagros de borst gaf. Ondanks dat in de hongerwinter voedsel erg schaars was, wist moeder toch nog allerlei lekkernijen uit te delen. 

Roermond lag die dagen in de oorlogszone, en er werden door Engelse vliegtuigen heel wat bommen op de Duitse stellingen bij de Maas gegooid. Er was al sprake van dat de binnenstad geëvacueerd zou moeten worden. Regelmatig waren er razzia’s waarbij de Duitsers alle mannen tussen 18 en 45 jaar oppakten. Mijn vader was al twéé keer de dans ontsprongen. Een keer, doordat hij, op het moment dat de Duitsers de straat hadden afgezet, ergens anders in Roermond bezig was voor onderduikers. En een andere keer toen hij zich in de gangkast verstopt had en mijn moeder een Spaans liedje zong, waarin ze hem waarschuwde dat de moffen, die het huis doorzochten, nu vlakbij waren.

Het werd vroeg donker, vader deed de lamp boven de tafel aan, de gordijnen dicht, en wij gingen kerstliedjes zingen. Buiten begonnen er sirenes te janken en we hoorden even later, vanuit de verte, zware explosies. Onder het avondeten zei vader dat hij nog even de stad in moest, en weer gauw terug zou zijn. Hij kuste moeder, aaide ons allemaal even over het hoofd, dat deed hij altijd, en vertrok. Moeder had een rode-bieten salade gemaakt, met geraspte worteltjes en eieren. 

Na de afwas gingen we weer allemaal rond de kerstboom zingen. Het was een zelfgemaakte, van een bezemsteel en wat latjes. We waren heel nieuwsgierig wat er zou gaan gebeuren. We hadden nog nooit een kerstman op bezoek gehad. 

Opeens was er buiten veel geschreeuw en lawaai. Moeder schoof de gordijnen iets opzij, en keek op straat. Ineens was ze heel bleek. Wij wilden ook kijken, maar dat mocht niet van haar. Ze legde uit, dat de Duitsers weer een razzia hielden en op zoek waren naar mannen die in Duitsland zouden moeten gaan werken. De soldaten hoopten natuurlijk dat op kerstavond alle mannen thuis zouden zijn. Ze hadden het hele blok afgezet, zodat niemand zou kunnen ontsnappen. Gelukkig was vader ergens anders in Roermond, zei moeder.

Dáár werd al brutaal hard op de deur gebonsd. Even dachten we dat het de kerstman was, maar er kwamen twee Duitse soldaten binnen, een oude en een jonge. Ze hadden grote geweren over hun schouder hangen. Wij kropen dicht tegen moeder aan. De oudere soldaat vroeg bars aan moeder waar ‘der Vater’ was. Moeder sprak in die dagen nog maar weinig Nederlands, en ze stamelde ‘Dojtsland, Arbajt’… Dat had mijn vader haar wel al geleerd… En voor ons kinderen was het streng verboden om iets over vader te zeggen tegen soldaten. 

Ze begonnen nu het hele huis te doorzoeken. Natuurlijk vonden ze niets. Juist toen ze wilden vertrekken, hoorden we gestommel achter de voordeur. We schrokken ons te pletter. Dat zou vader kunnen zijn. De jongste soldaat liep de gang in. Wij allemaal erachteraan. De deur ging open. Daar stond de kerstman. Met een grote juten zak, vol met kadootjes, wisten we. Wat waren we opgelucht. Het was een heel oude man, zagen we, hij had een grote witte baard, droeg een rode mantel met witte randen, witte handschoenen, een rode puntmuts, en hij sprak met een zware stem. 

De kerstman liep, omstuwd door kinderen, naar de huiskamer, bekeek goedkeurend de kerstboom, en zei langzaam: goedenavond, ik ben de kerstman. En dat hij kadootjes had voor alle kinderen in de straat. Ook voor de kinderen hier, in dit huis. Hij had ook wel wat voor de soldaten, zei hij, in onberispelijk Duits, en hij tastte diep in de grote zak. Manuel zette een kerstlied in, en we zongen uit volle borst mee. De gehelmde mannen konden van verbazing geen woord meer uitbrengen. Ze keken, zichtbaar ontroerd, naar de blije kindergezichten, en naar moeder, die de baby in haar armen had.

Misschien moesten ze wel aan thuis denken… De kerstman gaf hen elk een pakje, waar een strik omheen zat. Ze lachten wat, en bedankten ‘der Weihnachtsmann’. De kerstman nam nu zeven pakjes uit de grote zak, en legde ze onder de kerstboom. Het feest kon beginnen. De soldaten namen afscheid, en ‘wünschten’ ons nog ‘Fröhliche Weihnachten’. Opgelucht zagen we ze vertrekken. Daarna moesten we, een voor een, de kleinsten eerst, naar de kerstman toekomen. Hij vroeg van alles aan ons, streek ons bemoedigend door het haar en gaf ons uiteindelijk de begeerde kadootjes. Moeder was het laatste aan de beurt, en zij kreeg een heel klein pakje. 

We bedankten hartelijk, en samen met moeder zwaaiden we, luid zingend, de roodgemutste kindervriend uit. Terwijl we lawaaierig onze pakjes uitpakten en al druk aan het spelen waren, was vader ineens binnengekomen. Hij was op een stoel gaan zitten, en zag er moe uit. Zijn handen trilden. Er liep een striem over zijn voorhoofd. Zeker van zijn hoed, dacht ik. We dromden om hem heen, en schreeuwden, door elkaar, het verhaal van de soldaten en de kerstman.

Moeder stond achter vader. Haar hand op zijn schouder. Om een van de vingers had ze nu een zilveren ring met een donkere steen er in, en ik zag dat ze, met die hand, behoedzaam, een pluk watten van zijn kraag veegde… 

HK.

maandag 15 november 2010

.







SPITSBERGEN



  Niemand had me verteld dat ijsberen gevaarlijk kunnen zijn. Dus lachte ik maar wat toen men zei dat ik een geweer moest huren als ik de hoofdstad wilde verlaten.

 Spitsbergen. Een eiland. Daar ben ik zojuist geland met een vlucht uit Tromsø. Midden in de nacht, die op Spitsbergen in augustus dag is. De noordelijkste camping ter wereld, bijna 80 graden NoorderBreedte, ligt dicht bij het vliegveld. Met mijn vouwfietsje ben ik er in vijf minuten. Terwijl de lage noorderzon mij verwarmt zet ik om 02:00 uur mijn tentje op. Doodstil is het. Verderop jaagt een poolvos achter een broedende stern aan. Van slapen komt niet veel. Al vroeg sta ik op, pak alles in en ga op mijn fietsje op weg, vijf km, naar de hoofdstad Longyearbyen. Bij de gouverneur haal ik de vergunning op om het stadsgebied te mogen verlaten. Ook huur ik een geweer, met scherpe patronen. Dat moet, zeggen ze, want er zwerven hier hongerige ijsberen rond. Zal wel.

Ik haal nog wat voorraden in de supermarkt, hang het geweer tegen mijn rugzak aan en fiets de zeven km langs de kust naar de toegang van een vallei, de Bjørndalen. Wat een pracht. Meer dan drie kilometer lang strekt zich in het lage zonlicht, tussen twee bergketens een oplopend dal uit, met in het midden een kronkelend stroompje dat in zee uitmondt. De weg houdt hier op. Er staat een paal met daarop een driehoekig waarschuwingsbord met de afbeelding van een ijsbeer. Aan deze paal zet ik mijn fietsje vast, met een klein kabelslot. Eigenlijk belachelijk... Wie zou er hier met mijn rijwiel aan de haal gaan?




Na wat eten ga ik op weg. Nestelende sterns vallen me aan. Geen bomen, geen struiken, af en toe wat plekken wolgras met in de wind mee wuivende zilverwitte pluis-bollen. Hier en daar kleine gele en blauwe bloempjes. Verder is er alleen maar puingruis. Mijn pad loopt steeds wat steiler omhoog. Er is geen levende ziel te bekennen. Dus hier heeft Willem Barentsz voet aan wal gezet voordat hij Nova Zembla ontdekte. Ik voel me sterk en krachtig. Dat doé ik toch maar mooi, deze tocht...


Na een klein half uur bereik ik het punt, waar de Bjørndalen samenkomt met de vlakke bergruggen. Ga ik hier mijn tentje opzetten? Wat een schitterend uitzicht. De zon in mijn gezicht. Verspreide sneeuwplekken. En een ijsbeer. Wát? Een ijsbeer! Nog geen 300 meter bij me vandaan. Wat te doen? Ik moet terug. TERUG.


Ik begin haastig aan de terugtocht. Zo snel als ik kan loop ik de helling weer af. Ik tast naar mijn geweer. Stop er snel twee patronen in. Ik kijk steeds om. De ijsbeer begint me intussen nieuwsgierig te volgen. Als dat maar goed gaat. Mijn hersens knarsen. Dát is het: mijn proviand moet ik hem voeren! Wat heb ik allemaal? Brood, blikjes tonijn, kaas, koek en crackers. Terwijl ik snel afdaal gooi ik steeds wat eetbaars een eind bij me vandaan.. Het lijkt te werken. De ijsbeer eet wat van mijn proviand, maar komt me dan al gauw weer achterna. Daar gaat het brood, en even later de kaas. Alleen de crackers heb ik nog. Ik heb een voorsprong van 400 meter, en naar mijn fietsje toe is het nog 300 meter. Mijn hart raast.

Zal ik mijn verloofde ooit nog weerzien? Zal ik nog op mijn nieuwe motor kunnen rijden? Ik krijg een visioen van mijn begrafenis. Nee, mevrouw, u kunt hem niet zien, hij is té...

Ik struikel en sta vlug weer op. Nog 100 meter naar mijn redding. Waar is het fietsslot-sleuteltje? Waar is nou toch dat verdomde sleuteltje? Rennend en strompelend zoek ik m’n zakken na. Ah, daar is het. Ik sta bij m’n fietsje, pak vlug mijn geweer en keer me om. De ijsbeer is nu op dertig meter. Ik zwaai mijn armen wild in de rondte. Hij stopt. Gaat rechtop staan. Wat is ie groot. Ik schiet schuin in de lucht. Hij deinst wat terug, zakt op vier poten, loopt heen en weer en gromt. Met trillende handen open ik het kabelslot.

Daar komt ie al weer. Nogmaals schiet ik, nu op de grond tussen zijn voorpoten in. Grit en aarde spuiten hoog op. Hij rent brullend twintig meter achteruit. Nu snel zijn. Ik hang het geweer om, spring op mijn fietsje en met een kracht die ik niet van mezelf ken spuit ik weg. Het rijwiel steunt en kraakt. En weer komt hij achter me aan. En hij gaat snel. Dit ga ik niet redden. Toe nou, fietsje, je kúnt ‘t!

En dan... een straalvliegtuig, in aanvliegroute, komt laag over. De lijnvucht uit Tromsø. Het lawaai is oorverdovend. Mijn redding. Ik wil de piloot wel omhelzen. De ijsbeer heeft zich omgekeerd en spurt in paniek de helling op. Zonder nog om te zien jakker ik voort totdat ik na ruim één km de eerste huizen bereik.

Er grazen hier elanden. Ik ga uitgeput op een steen zitten, aan de rand van de Poolzee. Het water kabbelt aan mijn voeten. Verderop spelen kinderen verstoppertje. Noordse sterns vliegen laag over.


HK.

donderdag 29 juli 2010


.
.
.
.



GODFRIED  BOMANS.  MAART  1965



"Goedenavond, Marie Louise," zei Godfried Bomans tegen de oppas, Marlou Witzel, toen hij samen met Pietsie, zijn vrouw, thuis kwam, "is onze Eva nog lastig geweest, of is ze meteen gaan slapen?"    "Ik heb voor haar wat op de piano gespeeld, en daarna hebben we sámen nog wat geoefend..."   

"Zo, dus u speelt ook al piano, wat bent u toch veelzijdig,” zei de schrijver, "wat speelde u zoal?"   "De nocturne van Chopin, nummer 19, Opus 72."   "Nee, maar, dat is mijn lievelingsstuk...!; zoudt u dit nu nog eens, voor Pietsie en mij willen spelen? Dan doen we even de deur dicht om Eva niet te wekken."   "Ik kan het proberen," zei Marlou enigszins schuchter.



Ze ging, wat onzeker, zitten, en begon te spelen.   Gaandeweg kreeg ze meer zelfvertrouwen; de tonen vloeiden vanonder haar vaardige vingers de kleine kamer binnen.   Godfried en zijn vrouw hielden elkaar omarmd en luisterden ontroerd. De schrijver steunde met één hand op de piano en tikte zacht met de muziek mee.

Bijna vijf minuten duurde het stuk, en na afloop bleef het even volkomen stil. Toen greep Godfried de hand van Marlou, en zei met schorre stem:  "Dank u, dank u, dit is een van de mooiste momenten in mijn leven..."

Marlou reed op haar oude fiets naar huis.   Het regende, maar dat merkte ze thuis pas, toen ze haar natte jas aan de kapstok hing.


HK